Nationale Scriptieprijs[an error occurred while processing this directive]


Nationale Scriptieprijs 2004

Strijdend vanuit de verte.
Een analyse van de uitzendingen van radio Oranje tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Onno Sinke
Universiteit van Amsterdam/Nieuwste Geschiedenis
terug

Radio Oranje zweeg soms voor de goede zaak


Het eerste slachtoffer van een oorlog is de waarheid. Gold dat ook voor Radio Oranje, de Nederlandse zender die in de Tweede Wereldoorlog het bezette land van nieuws voorzag, vroeg geschiedenisstudent Onno Sinke zich af. Was de zender objectieve nieuwsvoorziener of vooral propagandist voor de goede zaak? En zoals helaas meestal bij serieus onderzoek, het antwoord is genuanceerd.

Sinke nam steekproeven uit de verzamelde teksten van Radio Oranje (iedere week één) en zocht de berichtgeving over drie hoogtepunten uit de bezetting nader uit: de Februaristaking van 1941, de April-Meistakingen van 1943 en Operatie Market Garden (de slag bij Arnhem).

Om te weten of Radio Oranje het nieuws manipuleerde - dat is volgens Sinke het bepalende kenmerk van propaganda - moet je ook weten welk nieuws de redactie van de zender in handen kreeg. En wat de Nederlandse regering, die het voor het zeggen had bij die zender, verordonneerde of verbood.

Die nieuwsbronnen vormden een ingewikkeld allegaartje. Er was een luisterdienst die zoveel mogelijk buitenlandse zenders beluisterde, er waren diplomaten in Bern, Stockholm en Lissabon die rapporteerden over wat hun ter ore kwam. Er waren nog enkele buitenlandse correspondenten in Nederland voor enkele persbureaus. Van tijd tot tijd - en naarmate de oorlog vorderde regelmatiger - kregen medewerkers de Nederlandse illegale bladen onder ogen. De legale kranten waren voorhanden. Er waren agenten van de Nederlandse regering die aan die regering rapporteerden, en Engelandvaarders namen hun verhalen mee.

Over de Februaristaking en de April-Meistakingen blijkt de zender veel minder te hebben gemeld dat de redactie wist. Over de Februaristaking werd pas op 29 maart 1941 gerept, een maand na dato. Dat negeren moet voor die stakers en hun sympathisanten buitengewoon teleurstellend en ook wel enigszins demoraliserend zijn geweest.

Volgens Loe de Jong, destijds werkzaam bij Radio Oranje, waren de gegevens te gering om iets te zeggen over de gebeurtenissen. Maar het materiaal dat Sinke gevonden heeft, rechtvaardigt dat zwijgen toch niet echt. Merkwaardig in dat verband is ook een uitspraak van radiospreker

Meyer Sluyser op 25 maart: ''De wettige regering, die precies op de hoogte is van wat er in Nederland geschiedt, zorgt dat het nieuws van uw zelfbewust gedrag ook in Engeland en in de hele wereld bekend wordt.''

Volgens Henk van den Broek, de vader van de latere minister, die in de loop van de oorlog ook in dienst kwam van Radio Oranje, lag de zaak dan ook iets anders. De zender stond onder controle van een adviescommissie bestaande uit drie ministers, en die ministers zouden hebben gemeend dat in oorlogstijd elke dag mensen stierven of in gevangenschap raakten, terwijl het gewone leven toch zijn gang moest gaan. Het is wel een erg merkwaardige redenering voor zo'n commissie, ieder oorlogsnieuws zou daarmee zo ongeveer overbodig zijn.

De terughoudendheid bij de April-Meistakingen, aanvankelijk geen enkele keer expliciet genoemd, had deels andere achtergronden. Ook nu zou weer sprake zijn geweest van gebrek aan informatie. En dat werd soms ook toegegeven. Maar daarnaast waren er andere overwegingen. Radio Oranje-medewerker A. den Doolaard zei voor de naoorlogse parlementaire-enquêtecommissie dat premier Gerbrandy berichtgeving verbood omdat dat nieuws de Duitsers op het spoor kon brengen van de geheime radioverbinding die het nieuws aan Londen had doorgegeven. De Nederlanders die die verbinding onderhielden, zouden dan in gevaar komen.

In zijn memoires had hij een andere versie: de koningin had Gerbrandy een briefje gestuurd met als eerste zin: 'Stop te zetten bij Radio Oranje elke verwijzing naar stakingen'. De koningin vreesde dat Den Doolaard en zijn collega's opruiende taal zouden uitslaan en dat daardoor meer slachtoffers zouden vallen. Van deze versie is geen enkel bewijs, maar, bevestigde Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur tegenover Sinke: Wilhelmina was in die periode erg bang voor vergeldingsmaatregelen tegen stakers en Nederlanders in het algemeen. In die redenering moest dus gezwegen worden om de stakingen niet te stimuleren.

Dit ligt in de lijn van de verklaringen van Van den Broek: het was onverantwoord de stakers aan te sporen terwijl zij met de blote vuist tegenover de bezetter stonden. Aan de andere kant kon de regering de stakingen ook niet afkeuren. Ze vreesde dat een oproep het werk te hervatten, zou leiden tot een een afnemende wil tot verzet.

Daarnaast: de Nederlandse regering kon het natuurlijk ook niet maken een staking af te keuren die door de Nederlanders in het algemeen werd toegejuicht. Zwijgen was kortom de meest voor de hand liggende oplossing.

Volgens schrijver was de rapportage over operatie Market Garden wel zo adequaat als onder de omstandigheden mogelijk was. En al met al is hij zeer mild over het beleid van de zender: alle overwegingen, ook die om te zwijgen, waren ingegeven door bekommernis om verzetslieden of het Nederlandse volk in het algemeen.

Daar wordt in sommige kringen anders over gedacht overigens. Koningin Wilhelmina was, schrijft ook Loe de Jong, niet afkerig van een naoorlogs autoritair regime - en met haar waren dat meer mensen in Londen. En bij zo'n autoritair regime is steun aan verzetsinitiatieven van de eigen bevolking niet vanzelfsprekend.

PAUL ARNOLDUSSEN © Het Parool, 26-01-2005

terug | naar boven